dinsdag 3 februari 2009

Terug naar de jaren ‘70 en ‘80 ?

Donderdag ondervraag ik in het VP als voorzitter van de Commissie Economie Minister Ceysens over de criteria van steunverlening aan bedrijven. De Vlaamse Regering biedt aan Opel Belgium aan om tussen 200 en 300 miljoen euro staatswaarborg te verlenen in ruil voor het openhouden van de GM-fabriek in Antwerpen. De Vlaamse steun wordt wel afhankelijk gemaakt van een geloofwaardig businessplan en de Regering is niet van plan geld te stoppen in “bodemloze putten”.
Alle EG-lidstaten pogen met een actief aanbod van staatssteun de industriële activiteit in eigen land te houden. Sarkozy en Merkel maken er geen geheim van dat ze in eerste instantie hun Franse en Duitse fabrieken willen open houden.
In de jaren negentig heeft de Europese Commissie o.m. onder impuls van Karel Van Miert strenge regels voor staatssteun vastgelegd met het oog op het faire concurrentiebeleid. In 1995 was ik de Vlaamse minister van economie die een einde stelde aan overheidssteun aan verlieslatende ondernemingen in Vlaanderen. Na het Boel-debacle werd dit hoofdstuk in Vlaanderen afgesloten en werd resoluut gekozen voor steun aan innovatieve en ecologische investeringen.De dramatische ervaring met de 15 miljard euro steun aan de zgn. nationale sectoren (staal, steenkool, textiel, holglas en scheepsbouw) leerde dat overheidssteunn op termijn geen garantie biedt op de overleving van een onderneming als de concurrentiekracht niet wordt hersteld.
Politiek heeft overheidssteun ook aanleiding gegeven tot zware politieke discussies en leidde tot twee onderzoekscommissies in het Vlaams Parlement o.m. over KS en de Scheepskredieten.
Als de Vlaamse Regering beslist om op hun vraag een staatsgarantie aan Opel toe te kennen zou het goed zijn eerst een kader te schetsen waarbij duidelijke criteria zijn vastgelegd want na Opel zullen andere bedrijven volgen ook buiten de automobielsector. De technologiesector, de chemie, de textielsector: heel de industrie staat onder druk. Voor de Vlaamse Regering worden het nog moeilijke maanden en de druk van mogelijk banenverlies maakt selectieve keuzes moeilijk. Belangrijk is ook dat de Europese Commissie haar kader vastlegd en de grote lidstaten niet toelaat met gigantische steunbedragen hun eigen industriële activiteit te ondersteunen ten koste van de kleinere lidstaten die vaak enkel de filialen huisvesten van multinationale bedrijven.
Het Vlaams Parlement zal waakzaam toekijken en duidelijkheid vragen in de criteria van steunverlening. Zeker mag men niet vervallen in de lame duck policy van de jaren ‘70 en ‘80.

zondag 1 februari 2009

L’invité

Ik was vanmiddag te gast op RTL-TVI als “l’invité” van Pascal Vrebos in het Journaal van 13 uur als “Eric, le frère du premier ministre”. In de vraagstelling wordt er voortdurend getracht communautaire valkuilen te leggen maar het is ook deze keer niet gelukt.
Het viel me weer op hoe afgunstig de Franstaligen reageren op de daadkracht van Vlaanderen in de redding van KBC en hoe bang ze zijn dat Vlaanderen middelen heeft om haar ondernemingen bij te springen en Wallonië niet. Ik kreeg zelfs de vraag of de Vlaamse overheid ook bereid zou zijn een kredietwaarborg te verlenen (zoals bij Opel-Antwerpen) als deze vraag zou komen van een Waalse onderneming. Toen ik zei dat we hiervoor territoriaal niet bevoegd zijn, klonk dit antwoord blijkbaar als een uiting van een gebrek aan solidariteit.
De Franstaligen denken dat de financiële crisis de staatshervorming heeft ontdaan van zijn urgentie. Dat de dialoog al 2 maanden stil ligt, ervaren ze niet als een probleem. Vorige week verklaarde Maingain opnieuw dat resultaten in de dialoog o.l.v. Kris Peeters geconditioneerd blijven door vooruitgang in de gesprekken over BHV en de benoeming van de burgemeesters in de Rand. PS’er Philippe Moureaux zei hierop:“le MR tue le dialogue”. Ecolo-onderhandelaar vindt dat “Van Rompuy doit piloter le dialogue communautaire”.André Antoine (cdH)  van zijn kant vindt dat de partijvoorzitters weer moeten samenkomen. Zo blijven we maar rondjes draaien en worden de kansen op een communautaire doorbraak steeds kleiner.
Rudy Demotte vergelijkt Vlamingen en Franstaligen als twee vrienden die elkaar toevallig ontmoeten en zeggen dat ze elkaar eens moeten zien om bij te praten maar waarvan nooit iets komt.
Kris Peeters is er de man niet naar om met zich te laten sollen en zal de nodige conclusies trekken als deze cinema van de Franstaligen voortduurt. Ik heb altijd gesteld dat ik sceptisch ben over de slaagkansen van de dialoog. Ook als “le frère de Herman” blijf ik dat.