dinsdag 5 juli 2005

De Tour in Amboise

Vandaag kwam de Tour voorbij in Amboise (25km van Tours), een prachtig dorp aan de oevers van de Loire. Toeval wil dat Amboise het eindpunt was van onze (memorabele) tocht door Frankrijk in 1967 (zie foto’s). Herman zou zeggen: het was nog de tijd dat Generaal De Gaulle heerste over Frankrijk. En ik voeg er aan toe: in afwezigheid van Eddy Merckx was 1967 het laatste jaar dat Roger Pingeon de Ronde (nog) kon winnen.
Herman en ik waren zodanig in de ban van de Tour dat we zelf het grote avontuur wilden wagen. Het werd een schitterende tocht. In totaal 697 km van Woluwe tot Tours in 6 etappes.
De eerste dagen bleek dat we onze tocht hadden onderschat. De tent op onze fiets woog zwaarder dan verwacht en de weersomstandigheden wilden niet mee. De eerste dag (van Woluwe tot Avesnes) een verzengende hitte, de tweede dag (van Avesnes naar Compiègne) een kletsnatte dag. Op de primitieve campings van Noord-Frankrijk was de bodem ofwel te hard om de haken van onze tent in de grond te slaan ofwel was het campingterrein overstroomd. Maar niets kon ons ontmoedigen om ons gestelde doel te halen.
Herman had het soms moeilijker dan ik, maar zwijgzaam beet hij zich vast in mijn wiel. Later is het soms in het (politieke) leven anders geweest.
Eens voorbij Parijs, op de vlakke wegen naar Tours, kwamen we echt op dreef. Onvergetelijk was de tocht naar Chartres. Op 10km van Chartres zagen we de kathedraal in de blakende zon oprijzen boven de korenschoven uit. La France dans toute sa splendeur.
Onze poësisleraar, de jezuïet pater Leo Vandekerckhove, had ons over dit schitterende landschap verteld naar aanleiding van zijn briljante lessen over de grote Franse (katholieke) dichter Charles Peguy. Deze maakte omwille van zijn ziek kind een bedevaart van Parijs naar Chartres en schreef er een prachtig gedicht over (Présentation de la Beauce à Notre Dame de Chartres) waarin hij het had over la France, “l’océan des blés”, en in de horizon de kathedraal van Chartres beschreef.
Van Chartres reden we naar Blois. We lieten Orléans links liggen, nochtans de stad van Jeanne d’Arc (waar Peguy ook over schreef).
Tussen Blois en Amboise stond er een verschrikkelijke wind. Gedurende 20km moesten we vechten om zelfs maar vooruit te komen. De romantiek van Chartres was ver weg. ’s Avonds op de camping van Amboise moesten we onze tent opspannen terwijl het zeil eigenlijk niet liever wou dan weg te vliegen. We dachten hieraan terug toen we enkele weken geleden die tent terugvonden op de zolder in het huis van onze ouders. Ze had die tocht 38 jaar overleefd. De haken lagen er nog steeds gekromd bij.
Amboise en Blois zijn gelegen langs de mythische Loire en hadden allebei een beroemd kasteel. Maar we hadden toen in de stormwind van 1967 het kasteel van Amboise niet opgemerkt. Herman vertelde me dat hij het 25 jaar later heeft bezocht. Het is vanaf de weg onzichtbaar, maar wel idyllisch mooi.
Van Amboise ging het tenslotte naar Tours, waar we de trein namen naar Parijs. In La Gare du Nord kochten we l’Équipe. Roger Pingeon had de Tour gewonnen en de eerste Belg (Jos Huysmans) was achtste. De Belgen wonnen 6 etappes. Een resultaat waar we vandaag enkel kunnen van dromen.
Maar de Tom Boonen van Tours doet vandaag onwillekeurig terugdenken aan de allerbeste Rik Van Looy. En wie weet eindigt Axel Merckx niet binnen de eerste tien? De Loirestreek heeft dezer dagen Vlaanderen opnieuw zijn Tourgevoel aangescherpt.
Onze thuiskomst uit Parijs was zonder gele of groene trui. Maar onze ouders en zussen waren blij dat we behouden terugkeerden van die gevaarlijke Franse wegen.
En voor ons blijft de Tour voor altijd verbonden met “ces châteaux de la Loire”.

zondag 3 juli 2005

Mémoires du Tour de France

Geen enkel sportevenement grijpt zo diep op mijn levenswijze in als de Tour de France. Van zodra de Tour van start gaat, laat hij mij niet meer los. Elke minuut wil ik weten hoe de koers verloopt. Alles in die drie weken van juli is ondergeschikt aan de Ronde van Frankrijk. En ik ben met die gevoelens niet alleen.
Zoals bij vele Vlamingen van mijn generatie gaat de mythe van de Tour terug tot onze jeugd. De Tour was het einde van de examens en het begin van het verlof. Vakantie: dat was de Tour. Ook bij de Van Rompuy’s in Sint-Stevens-Woluwe.
’s Voormiddags deden we met de buurtjongens zelf veel aan sport (atletiek). We hadden in onze wijk zelfs een sportclub opgericht met de welluidende naam Berreveld Sportclub (met Herman – natuurlijk – als president). Maar vanaf de middag hingen we aan de radio en luisterden we (met de kersen in de hand) naar de reportages van Jan Wauters en Luc Varenne en ook van Félix Lévitan (La Route du Tour op Radio Luxembourg). Tour-televisie kwam in de jaren zestig en zeventig maar het laatste uur in de ether. Het maakte de aankomsten (met de onvergetelijke Fred De Bruyne) enkel nog spannender.
De Tours uit die jaren zijn nog steeds op mijn netvlies gegrift. Anquetil, Darrigade, Bahamontes, Rik Van Looy, Jef Planckaert. Daarna Eddy Merckx, Poulidor, Gimondi, Lucien Van Impe, Herman Van Springel. De massaspurten, de bergetappes, de drama’s (de val van Rik Van Looy in 1962, de dood van Tom Simpson in 1967). De triomfen van de Belgische ritwinnaars, de groene truien (nooit was iemand mooier met die trui dan Rik Van Looy), de gele trui van Eddy Merckx in 1969 (30 jaar na Sylvère Maes), de bergprestaties van Lucien Van Impe (de laatste echte grote klimman)
Die emotionele band met de renners van vandaag is haast verdwenen maar bij de start van elke Tour zit diep bij elke Vlaming het heimwee en het verlangen naar een nieuwe Eddy Merckx of Lucien Van Impe. De wielersport en de Tour zijn een deel van ons leven geworden.
In mijn Dagboek zal ik de volgende weken dan ook geregeld aandacht besteden aan de Ronde. Ik zal ook het verhaal vertellen van onze eigen kleine Tour de France in 1967 toen Herman en ik in de laatste week van de Tour zelf met de tent op de fiets naar Frankrijk trokken. Be free sur les routes de France.
Hierbij twee foto’s van de Van Rompuy’s in hun jonge jaren ergens op weg naar Tours. Het regende die dag in juli 1967. Het werd een zware rit en onze fietsen waren zwaarbeladen. Maar we stonden scherp en wilden voor elkaar niet onderdoen. Inzinkingen waren er om overwonnen te worden. Het is vandaag niet anders.

woensdag 15 juni 2005

Karel zit zo in elkaar

Het incident met De Gucht is officieel gesloten, maar ik leg er mij niet bij neer. Want zoals Herman zei in de Zevende Dag : “het is wachten op het volgende incident. Hij zit zo in elkaar.”

Ik heb deze ervaring al 27 jaar en vermits parler vrai terug in is in de Wetstraat: ik ben allergisch aan deze mix van ijskoning en arrogantie en ik weet dat het wederzijds is.

Ik ontmoette Karel De Gucht voor het eerst in 1978 toen hij nationaal voorzitter was van de PVV-jongeren. We hadden in die tijd meermaals debatten in Vlaamse parochiezaaltjes met de jongerenvoorzitters en toen reeds viel mij zijn “ijskonijn”-houding op. Vóór de debatten sprak hij met geen woord tegen zijn collega’s en na wat arrogante uitspraken tegen de toenmalige CVP was hij zonder groeten weg. Hij hield het trouwens in die functie niet lang vol want hij werd in 1979 als PVV-jongerenvoorzitter opzij gezet (toen al) door een zekere Guy Verhofstadt (met hem was ik in die jaren wel goed bevriend; ik was zelfs op zijn trouw in Gent).

De Gucht kwam in 1980 als vierde opvolger totaal onverwacht in het Europees Parlement en toeval wil dat ik hem daar opnieuw ontmoette toen ik in 1981 als eerste opvolger van Tindemans ook in Straatsburg mocht aantreden. In de schaarse gesprekken die ik met hem had viel mij opnieuw zijn misprijzen en afkeer op tegen al wat christendemocratisch was. Paars avant la lettre. Ik herinner mij ook nog zijn scherpe uitval naar de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Leo Tindemans die in Straatsburg een toelichting kwam geven bij het Belgisch voorzitterschap. Dat de PVV in 1982 deel uitmaakte van de Regering Martens-De Clercq, stoorde hem blijkbaar allerminst. Wat Tindemans mij toen over De Gucht zei is niet voor publicatie vatbaar (er bestaan ook geen tapes).

De Gucht was –toegegeven- wel een uitstekend parlementslid en slaagde erin als jong Europees parlementslid rapporteur te zijn van belangrijke rapporten. Zijn goede maat en buddy BRT-journalist Dirk Sterckx zorgde toen reeds voor een uitstekende media-coverage. Zijn uitstekende relaties met de media (eerder dan met zijn collega’s, zelfs van zijn eigen partij)waren trouwens een constante in zijn carrière.

Ik botste terug op De Gucht toen hij in 1995 lid was van de commissie Economie in het Vlaams Parlement. Hij had zich toen ingegraven in het dossier van de scheepskredieten en poogde minister-president Luc Van den Brande en mezelf als Economie-minister onderuit te halen met dossiers die in de gerechtelijke sfeer zaten en waar wij als verantwoordelijke ministers niets mee te maken hadden. Het leverde buiten wat media-aandacht weinig op maar toen de CVP in 1999 in oppositie belandde, lukte hij er toch in om in het Vlaams Parlement een onderzoekscommissie op te richten die ons politiek moest kelderen. Het werd weer een flop. Alleen een topambtenaar van Gimvindus (van CVP-signatuur), Roger Malevé, werd er totaal ten onrechte het slachtoffer van. De manier waarop De Gucht Malevé (die als ambtenaar geen spreekrecht had) publiek in het Parlement en de media zonder harde feiten schoffeerde, was tergend en onaanvaardbaar (ook voor zijn eigen coalitiepartners) en tekenend voor zijn karakter.

Als VLD-voorzitter was zijn strategie erop gericht de CVP in oppositie te breken. Zijn uitvallen tegen het katholiek onderwijs en zijn hardnekkigheid in ethische dossiers waren ingegeven door zijn uitgesproken vijandigheid en intolerantie tegenover de katholieke levensbeschouwing. De aanvaringen met de CD&V-fractie (Luc Martens, Mieke Van Hecke) waren dan ook legio. In zijn Toscaanse gesprekken met Johan Van Hecke schreef hij er zelfs een boek over. Opvallend is dat de twee Toscaanse ghost-writers Dirk Achten (ex-Standaard en nu zijn kabinetschef) en Yves Desmet ( De Morgen) vandaag ook zijn grote en enige verdedigers zijn in het Balkenende-incident.

Het Laatste Nieuws titelde maandag jl.: De Gucht liegt zich in de problemen. Dat was ook het geval in 2001 toen Johan Van Hecke vergat zijn GSM af te leggen en Stefaan De Clerck het gesprek kon beluisteren tussen Van Hecke en De Gucht. Deze zei toen dat De Clerck leidde aan “zinsbegoocheling”. In andere landen zou een partijvoorzitter na zo’n publieke leugen moeten aftreden want Van Hecke erkent nu zelf in privé-gesprekken dat hij in het bureel zat bij De Gucht.

Ook tijdens het weekend poogde De Gucht zijn verantwoordelijkheid af te wentelen op een journalist. Onafgezien van de opportuniteit van de verklaringen als minister van Buitenlandse Zaken is zijn leugenachtig optreden onaanvaardbaar. Hij deed hetzelfde naar aanleiding van het Kabila-incident met de hooggewaarde buitenlandjournaliste van Le Soir, Colette Braeckman. In Angelsaksische landen staat op leugens en laaghartig menselijk gedrag maar één sanctie.

Voor CD&V (niet voor het land) is het wellicht een goede zaak dat De Gucht op post blijft. Het is inderdaad wachten op de volgende gaf. De Gucht is voor de oppositie een godsgeschenk. Zijn leugens naar aanleiding van de overloperij van de NCD’ers hebben de eenheid in CD&V hersteld en de basis gelegd voor de wederopstanding. Zijn houding in het debat over het migrantenstemrecht deden de VLD de Vlaamse en Europese verkiezingen verliezen. Met De Gucht op Buitenlandse Zaken weten ze van Den Haag tot Kongo hoe België zich op de wereldkaart zet. De Belgische opendebatcultuur als exportproduct voor een goede relatie tussen naties. Jonge diplomaten krijgen dezer dagen een les hoe het niet moet.

De media, zijn trouwste bondgenoten hebben hem nu ook wel definitief door. De journalistenvereniging was vernietigend. Ik heb er 27 jaar op moeten wachten, maar mijn eerste indruk over De Gucht was de juiste. En voor mij is het incident dan ook niet gesloten. Affaire à suivre.

vrijdag 27 mei 2005

Au revoir Steve

Ik zal nooit de tussenkomst van Steve Stevaert vergeten op zijn eerste vergadering van de Vlaamse Regering in september 1998. Minister-president Luc Van den Brande had de zgn. Septemberverklaring uitgedeeld en elke minister ging met kabinetsnota’s in de hand op zoek naar de paragrafen die zijn beleid in de verf moesten zetten. Uiteindelijk werd het een tekst van haast twintig bladzijden.

Steve had geen dossier bij zich, had aandachtig geluisterd en nam na een ellenlange discussie over de budgettaire implicaties van één of andere beleidsintentie (geanimeerd door Wivina Demeester) het woord met de simpele vraag : “Luc, wat hebben de mensen aan uw ingewikkeld verhaal? Zorg voor een boodschap niet alleen voor die 125 parlementsleden en 500 kabinetsmedewerkers maar vooral voor de Vlamingen die nooit uw tekst zullen lezen.”

Het werd muisstil op de Vlaamse Regering. Plots realiseerden we ons dat hij gelijk had. We hadden o.l.v. Luc Van den Brande met Luc Van Den Bossche, Wivina Demeester en Luc Martens keihard en degelijk gewerkt maar we faalden totaal inzake communicatie.

Enkele dagen later lanceerde Steve zijn idee om het gratis bussen van Hasselt uit te breiden tot gans Vlaanderen (zonder budgettaire nota tot grote woede van Wivina Demeester…..) en zijn naam was gemaakt. Daarna nog de Schalkse Ruiters, Somers en Verschueren, Morgen Maandag en Stevie Wonder was geboren.

Hij overklaste ons. Sommige partijgenoten waren jaloers en poogden zijn stijl en nieuw verhaal onderuit te halen maar het werkte als een boemerang. Hij was ongrijpbaar.

Ik moest het ook ervaren in de eerste oppositiejaren in het Vlaams Parlement. Oppositie voeren tegen hem was als rijden op een hometrainer in een garage terwijl de echte koers met de televisiecamera’s op straat werd verreden.

Gratis tv-kijken, gratis bussen, gratis elektriciteit, gratis huisvuilophaling, gratis onderwijs, afschaffing cafébelasting. Het kostte de Vlaamse begroting 1 miljard euro maar de kritiek werd door de media afgedaan als verzuurd en negatief. Steve wist wat de mensen wilden. Vlaanderen vakantieland vertaald in de feestcheques en de barbecues op 11 juli 2002 en het nieuwe Vlaamse volkslied: “Vlaanderen boven waar er mossel met friet is, waar de mensen belangrijk zijn en de pensen omvangrijk zijn.”

In deze sfeer won hij de verkiezingen van 2003 en was hij onweerstaanbaar op weg om de nieuwe Vlaamse minister-president te worden. Ik ben ervan overtuigd dat indien hij deze functie had kunnen bereiken Stevaert vandaag nog op het Martelaarsplein zou zitten en het gouverneursschap van Limburg zou overlaten aan een even anonieme Limburger als Harry Vandermeulen (Limburgs gouverneur van 1978 tot 1995).

Ik heb Stevaert steeds ervaren als een heel speciaal man. IJdeler dan hij zich voordoet, zeer intelligent, uiterst vriendelijk met iedereen (ook als je hem aanviel in oppositie), menselijk alert. Maar als je poogde te raken aan zijn core-business of machtspositie, keihard. In de Vlaamse Regeringsonderhandelingen had hij enkele dada’s en die waren onbespreekbaar (o.m. De Lijn) of hij haakte bitsig af. Ook viel me toen op dat het gouverneurschap van Limburg even “onverwijld” was voor sp.a dan BHV voor CD&V-N-VA! Wat ik hem kwalijk nam is dat hij het kiessysteem heeft gewijzigd in functie van zijn eigen electorale strategie. Provinciale kieskringen, dubbele kandidaatstelling, kiesdrempels, kartels : alles was erop gericht om met de SP-teletubbies de grootste te worden. Ook organiseerde hij in 2004 een nooit geziene stoelendans van ministers en opvolgers in de parlementen die de geloofwaardigheid van het politiek systeem zwaar hebben aangetast. Politiek was voor hem een schaakbord in dienst van Koning Steve. Met hem werd de particratie opnieuw almachtig.

Zal zijn invloed blijvend zijn? Voor verkeersveiligheid en openbaar vervoer wel, voor het overige wellicht niet. Het gratis-verhaal is nu reeds doorprikt en biedt geen perspectief voor de grote uitdagingen van morgen (werkgelegenheid en vergrijzing). De verkiezingen van 2004 hebben aangetoond dat de grenzen van de mediatisering bereikt zijn (overacting). Ook krijgen de kiezers meer oog voor serieux en goed bestuur. De losse ideeënfabriek van Stevaert strandde op een lege Vlaamse kas. (Hij vond dit mijn beste oppositiezet.)

Staat een nieuwe generatie klaar om hem op te volgen? Zeker niet. Hij moet zijn voorzitterstoel overlaten aan de socialistische machtspoliticus bij uitstek Vande Lanotte en in de federale regering beseft nu iedereen dat men ’s lands bestuur moeilijk kan toevertrouwen aan de zonen en dochters van Luc Van Den Bossche, Louis Tobback, Louis Vanvelthoven, Willy Claes of Leona Detiège. Steve heeft nieuwe voornamen gecreëerd maar als het erop aankomt om ’s lands financiën te beheren zal hij volgens Luc Vanderkelen in Het Laatste Nieuws moeten teruggrijpen naar Freddy Willockx, gewezen staatssecretaris van Financiën in 1980… Wellicht zal Freddy niet gevraagd worden, maar het wijst er wel op dat politiek personeel enkel rekruteren in functie van bekende achternamen en goed mediatiek overkomen ook zijn limieten heeft.

Richard Nixon zei bij het verlaten van het Witte Huis: “het is geen adieu, maar een au revoir : we see each other again.” Of dit voor Steve geldt weet ik niet. Hij blijft onvoorspelbaar. In alle geval tot ziens in Limburg of zeker tot in de Hemel na het Santo Subito van de Vlaamse pers tijdens het weekend en zijn boek Anders Geloven.

Nog een laatste uitsmijter van Steve over de Van Rompuy’s. Hij noemde ons ooit “het betere volk van de CVP”. Een doordenker voor Jo, Yves en Pieter.